| |
Historie
De uit het jaar 1309 daterende Proosdij is niet zomaar een monument. Achter het perfect gerestaureerde uiterlijk schuilt namelijk een onstuimige historie! De kerk komt voort uit een naast een klooster geplaatste kapel, dat het oudste deel van de huidige kerk vormt. Het klooster werd als priorij gesteld onder de Proosdij 'Bethlehem' bij Doetinchem. In het jaar 1324, toen soldaten Zwolle in brand staken, ontkwamen slechts 9 huizen én de kapel aan het vuur.
De Bethlehemkerk of de Bethlehemse kerk werd gesticht in 1309 als onderdeel van een kloostercomplex in het oudste deel van Zwolle. De stichter van de Deventer kanunnik Bernardus van Vollenho. Het klooster was aan Maria gewijd en werd bevolkt door Augustijner koorheren. De grote stadsbrand van 1324 vernietigde het hele complex, uitgezonderd de kapel. Deze kapel werd na de brand vergroot. Tussen 1411 en 1430 kreeg de kerk een nieuw koor.
Na de kerkhervorming. Die in Zwolle in 1580 plaatsgreep, werd het klooster nog een tijdlang door stedelijke regering gedoogd, maar uiteindelijk werd de kerk in gebruik gegeven aan de gereformeerden (thans hervormden). De restanten van het kloostercomplex werden in de jaren 1644- 1655 afgebroken, met uitzondering van het zogenaamde reventer of refter. Bij de inval van de bisschoppen van Munster en Keulen in 1672 werd de kerk aan de gereformeerden onttrokken en mochten de juzuïten er gebruik van maken. Bij de aftocht van de bisschoppen in 1674 namen de gereformeerden de kerk weer in bezit. Bij de grote watersnood van 1825 bood de kerk onderdak aan mensen en dieren uit de overstroomde streken rondom Zwolle.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam het voortbestaan van de kerk in gevaar. Ontkerelijking en de ontvolking van de binnenstad maakten dat de kerkruimte niet meer nodig was en ook te duur werd in onderhoud voor de krimpende kerkelijke gemeente. Op 22 juni 1958 werd er de laatste dienst gehouden en een sloopvergunning aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De sloopvergunning kwam niet af; de bouwkundige toestand van de kerk was niet slecht genoeg en als monument was ze te belangrijk. De gemeente Zwolle kocht het gebouw in 1963 van de hervormde gemeente voor één gulden en het orgel voor 50.000 gulden.
Eind jaren zeventig gaf de gemeente Zwolle aan de Broerenkerk, elders in de stad, graag te willen betrekken bij het stedelijk conservatorium en was bereid deze te ruilen voor de Bethlehemkerk. De hervormde gemeente zag er wel wat in en op 18 november 1982 werd na een grondige opknapbeurt weer een eredienst gehouden in de kerk. Hersteld in haar oude functie hield de kerk het vol tot 1998. Toen noodzaakten de hoge onderhoudskosten van de Bethlehemskerk en de Grote of St. Michaëlskerk de hervormde gemeente tot verkoop van de Bethlehemkerk over te gaan. Het gebouw werd verkocht aan de Zwolse horeca-ondernemer H. Borrel. Het orgel kreeg daarbij speciale aandacht; het werd buiten de verkoop gehouden en bleef eigendom van de hervormde gemeente. In 2008 werd de verkoop van het orgel aan een andere gemeente voorkomen en uiteindelijk verkocht aan de gemeente Zwolle.
De voormalige kloosterkerk is momenteel in gebruik als partycentrum. Zo werd de historische naam, Bethlehemse kerk, omgedoopt in ‘De Proosdij’.
De Bethlehemse Kerk is een tweeschepige gotische hallenkerk, die geheel door gemetselde gewelven wordt overdekt. Zij bestaat uit een hoofdkoor van twee rechthoekige vakken en een wat smaller driezijdig gesloten eindvak, een zuiderzijkoor van twee rechthoekige vakken, en een tweebeukig schip. De hoofdingang, die met het venster daarboven wordt omlijst door een geprofileerde bakstenen spitsboog, bevindt zich in de westelijke gevel van de noorderbeuk. De kerk heeft twee evenwijdige, met leien belegde kappen. Dat het schip aan de noordzijde geen steunberen heeft, is ongetwijfeld het gevolg van het feit dat het aan die zijde door het winterpaleis van de familie Van
Ittersum was ingesloten. In de kerk bevindt zich een groot aantal rijke grafstenen en een aantal adellijke grafkelders. De grafkelder van de adellijke familie Van Ittersum is open gelegd. Via een glasplaat kan men een kijkje nemen in deze grote grafkelder die waarschijnlijk al in de 16de eeuw is aangelegd. In de zuidmuur van het schip zijn aan de buitenzijde drie reliëfstenen ingemetseld: een steen met een kruis, bladornamenten en rozen, Maria met Christus na de kruisafname en een afbeelding van de gekruisigde Christus uitgevoerd in Baumberger steen. Deze laatste is de grafsteen van Prior Johannes (Hemerken) van Kempen, de oudere broer van Thomas a Kempis. Op initiatief
van de Utrechtse Bisschop Rudolf van Diepholt werd op 29 oktober 1449 een aflaat verleend aan alle pelgrims die neer knielden voor deze, eens, fraaie afbeelding van Christus Kruisiging. De steen wordt daarom ook de ‘Nood Gods’ genoemd.
|